Turf, boenders en stoelen
Noordwolde ligt in een van oorsprong veenrijk gebied. In de zeventiende en achttiende eeuw is de vervening de inkomstenbron, maar in het begin van de negentiende eeuw is het veen vrijwel afgegraven en gaat men o.a. over op bezembinden en het maken van heideboenders. Een Duitse trekarbeider laat zien hoe hij manden vlecht van de wilgenteen die in de omgeving overal voorhanden is. Halverwege de negentiende eeuw is dit een belangrijke huisindustrie geworden en de beschikbaarheid van wilgentenen hiervoor onvoldoende. Op initiatief van ds. Edema van der Tuuk worden andere materialen zoals rotan ingevoerd. Ook haalt hij een Duitse rietvlechter naar Noordwolde om de bevolking het vak te leren. Eind negentiende eeuw ontstaan er diverse kleine werkplaatsen van stoelenvlechters. Tegen de eeuwwisseling is de productie zo gegroeid (honderdduizend stoelen jaarlijks) dat naast Nederland ook handel met omliggende landen wordt gedreven. Duitsland en Oostenrijk echter worden steeds zwaardere concurrenten met een kwalitatief beter en veelzijdiger aanbod. Na oprichting van de Rijksrietvlechtschool verbetert de kwaliteit en ontstaan in Noordwolde grotere bedrijven.
